Net zoals kleren gemaakt kunnen worden van stoffen met een verschillende textuur en als gevolg daarvan verschillend aanvoelen, zo kan ook muziek verschillende texturen hebben.
Textuur in muziek gaat over het “weefsel” van verschillende stemmen of partijen in een muziekstuk en de relaties tussen die stemmen/partijen.
De volgende termen worden daarbij vaak gebruikt:
- monofonie
- homofonie
- polyfonie
- heterofonie
Het kan ook gaan om muzikale patronen, bijvoorbeeld:
- Begeleidingsfiguur zoals een Albertijnse bas.
- Nevenstem of tegenstem.
- Hauptstimme / Nebenstimme (Berg/Schoenberg)
- (door)imitatie
- …
Homofonie en polyfonie kunnen worden gezien als uitertsen van een continuüm;
Homofie: alle stemmen houden (nagenoeg) hetzelfde ritme aan, zoals bijvoorbeeld in een psalmzetting (Goudimel) of een (vroege) koraalzetting (Crüger). Elke melodietoon wordt daarbij voorzien van een akkoord
(Verticalen zijn primair, horizontalen secundair.)

Polyfonie: twee of meer stemmen bewegen zich melodisch relatief onafhankelijk van elkaar. Ritmisch gezien is er vaak sprake van een complementair ritme. Bijna altijd is er sprake van imitatie tussen de verschillende stemmen.
(Horizontalen zijn primair, verticalen secundair.)
