Algemene indruk
Het eerste lied van de Lieder ohne Worte Op. 19 van Mendelssohn doet zijn naam eer aan: een zeer goed zingbare melodie (cantabile…) voorzien van een kabbelende akkoordmatige begeleiding bestaande uit niet complexe harmonieën.
Verrassende alteraties zorgen hier en daar voor een effect dat de aandacht van de oplettende luisteraar trekt.
De baslijn beweegt zich “als een melodie” met een overwegend stapsgewijs verloop; aanvankelijk in tegenbeweging met de melodie, later in het contrasterende middendeel ook in parallelle tertsen in een stijgende beweging die zorgt voor een spanningsopbouw. De baslijn maakt zich hierdoor gedeeltelijk los van een strikt harmonische functie om samen met de melodie een tweestemmig lijnenspel te vormen.
Vorm
In grote lijnen hebben we een vorm die aan te duiden is als A :|| B – A . Of:
A – A – B – A. We kunnen dit een Barform (Stollen-Stollen-Abgesang) met reprise noemen. De overgang naar B wordt gemarkeerd door de plotselinge kleurverandering door de introductie van een e mineur akkoord.
Melodie
De (opmatige) melodie is niet alleen goed zingbaar maar is ook qua zinsbouw afgewogen en evenwichtig door de groepering van maten.
A B A
4+4+5 4+...4+2+1+1 4+4+8
Verrassingen
Als verwachtingen niet worden vervuld en een voortzetting anders is dan verwacht, is dat het gevolg van ingevoegde “schijnbewegingen”, waarna steeds een bevredigende afronding volgt. Dit geldt voor de (“plotselinge”) a in maat 13 en de d in maat 43 bijvoorbeeld.
Er wordt meerdere malen gespeeld met de verwachtingen van de luisteraar, bijvoorbeeld door het introduceren van alteraties (de a in maat 13, de d in maat 43) of een verrassend gealtereerd akkoord met een bijzondere kleurwerking in maat 28; een kleurwerking die ontstaat door de afwisseling tussen de drieklanken G en B (25-27): een typisch voorbeeld van mediantwerking, die in de romantiek een belangrijke rol speelt als expressiemiddel.
Begin
We horen twee inleidende maten bestaande uit twee harmonieën: I en V, die door een baslijntje van (1) – (3) – (2) – (5) wordt uitgecomponeerd, waarmee het tonale speelveld waarbinnen het lied zich beweegt is aangeduid: E majeur is de hoofdtoonsoort.
E – B - :|| e – G – (afsluitend met de BovenMediant B) – E .
Een eerste frase eindigt op de dominant in E (V) waarna in de nazin niet de voorspelbare afronding wordt gekozen (door de suggestie van B te bevestigen en de leidtoon aïs op te lossen), maar te laten dalen naar a (als onderdeel van een verminderd septiemakkoord (…) en met een verlenging alsnog te eindigen op de I in B, waarna deze als dominant fungeert voor de herhaling.
We horen een in het begin een beweging vanuit E majeur naar de dominant B majeur; aan de tonica-drieklank van B wordt na de herhaling een kleine septiem toegevoegd waardoor in de vorm van dominantseptiemakkoord een bruggetje wordt geslagen naar een e mineur akkoord (17), hetgeen zorgt voor een duidelijke sfeerverandering, die het begin van het contrasterende middeldeel markeert.
Midden: contrasterend deel
In het contrasterende deel wordt de overwegend dalende melodische beweging van het A deel vervangen door een stijgende melodische beweging. Dit effect wordt nog versterkt doordat de baslijn zich in parallelle tertsen met de melodie beweegt. Dit zorgt voor een spanningsopbouw, waarvoor een mooie Duitse term bestaat: “Steigerung”.
De suggestie van e mineur blijkt echter tijdelijk te zijn; het geheel beweegt zich al snel binnen de toonvoorraad van G majeur en eindigt op een dominant in G, waarna een kort quasi-cadenza fragment volgt. De bevestiging van G als toonsoort wordt niet bewaarheid: de melodietoon b wordt onderdeel van een “phrygische cadens” (IV6-V). De b fungeert niet als terts van een G drieklank als maar grondtoon van een B drieklank.
De melodietoon b wordt benadrukt en chromatisch omspeeld (b-c-b-aïs-b) in de maten 25 - 29 waarna het B-akkoord oplost naar de tonica van de hoofdtoonsoort E majeur en het A deel in aangepast vorm terugkeert.
Harmonisch gezien wordt de hoofdtoonsoort niet echt meer verlaten; alles komt tot rust. Een rust die nog versterkt wordt door het gebruikt van de orgelpunt op de tonicatoon gedurende de laatste 6 maten.