Aansluitend op het concept van de ankerintervallen, zijn de de volgende patronen nuttig om te oefenen:
- 1-5-6-5-1-7-1
- 1-3-5-6-5-3-1-7-1
- 1-2-3-4-5-6-7-6-5-4-3-2-1-7-1
Het idee erachter: (1 t.m. 6 verwijst naar de modale patronen jonisch - aeolisch)
- We vertrekken vanuit het bewustzijn van de kwint,
- We "vullen" de kwint met een terts aan tot een drieklank.
- We completeren het drieklankpatroon tot een toonladderpatroon.
We werken dus van grofmazig naar fijnmazig.
Het raster wordt hierbij gevormd door de tonen 1, 3 en 5. Zoals de reine kwint een ankerinterval is, kan de drieklank gezien worden als een een ankerakkoord. We spreken in het geval van westerse tonale muziek niet voor niets over drieklankgebaseerde muziek (triad based music).
Notatievoorbeelden:


1-2-3-4-5-6-5-4-3-2-1-7-1 * geeft een halvetoonsafstand aan
