Selecteer de taal

Factoren die gehoorvorming in de praktijk "moeilijk" maken vinden vaak hun oorsprong in een gebrekkig begrip van:

  • de werking en beperkingen van de vijflijnige notenbalk
  • de principes van muzieknotatie

De notenbalk geeft namelijk slechts een globale indicatie van "hoger en lager".

De werkelijke afstand tussen noten kan variëren terwijl het visuele beeld op de notenbalk gelijk is.

De werkelijke afstand tussen twee lijnnoten op lijn 1 en 2 is met een g-sleutel voor de balk een kleine terts (E-G) maar met een f-sleutel een grote terts (G-B).

Dit verschijnsel wordt nog versterkt met het gebruik van toevallige voortekens.

Met een mol voor de eerste en een kruis voor de tweede noot ontstaat in het geval van de g-sleutel een overmatig terts (es-gis), die in klank overeenkomt met een reine kwart en daar ook enharmonisch gelijk aan is.

In het geval van de f-sleutel ontstaat er een dubbelovermatige terts (Ges-Bis), een tritonus, terwijl het notenbeeld (de hoofdnaam) nog steeds een terts is.

Cijfers en stappen op de notenbalk

Bij veel van de oefenpatronen die hier gepresenteerd wordt gewerkt met cijfers die stappen op de notenbalk weergeven vanuit een referentietoon met cijfer 1.

  • 1-2-3-4-5 etc. vertegenwoordigt een ladderpatroon
  • 1-3-5 of 1-3-6 vertegenwoordigt een drieklankpatroon

Deze denkwijze is gerelateerd aan de principes van basso continuo-notatie.

Let op: soms verwijst het cijfer 1 naar de eerste noot van een toonladder, soms (in het geval van een akkoord) naar de bastoon waarop een intervalstructuur wordt gebouwd.

In een later stadium ligt het voor de hand ook de becijfering van de chromatische toonruimte te gebruiken. Gedoeld wordt hier op de pitch-class set analyse die de twaalf pitch-classes nummert met 0 t/m 11, waarbij c = 0.

Zie ook: https://wiebebuis.github.io/atv_pcc/Drieklanken-als-MIDI-plaatjes